Blog

  • Omgaan met onzekerheden bij de energietransitie en het voorbeeld Goeree-Overflakkee

    02-05-2018 0 reacties

    Bastiaan Zoeteman

    Op verzoek van minister Eric Wiebes (VVD) is onder leiding van oud milieuminister Ed Nijpels (VVD) het Klimaatberaad met vijf ‘tafels’ bezig nieuw elan te brengen in de energie transitie in ons land. Maar wat gebeurt er intussen om ons heen? Zijn de voorwaarden om de energietransitie vorm te geven wel zo zeker als het lijkt en wat betekent dat voor het bestuur? Voorbeelden van mogelijke risico’s bij het aanpakken van de energietransitie zijn het aantasten van de geloofwaardigheid van het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015, de gevolgen van digitale onveiligheid en het risico dat de grote spelers in de wereld, -VS, China en Rusland- besluiten om hun heil te gaan zoeken in geo-enginering in plaats van het uitfaseren van het gebruik van fossiele brandstoffen. Bij geo-engineering worden stoffen in de hogere atmosfeer of in de oceanen gebracht die het aardesysteem zo beïnvloeden dat opwarming wordt afgeremd, maar met voorbijzien van allerlei nieuwe risico’s. Rond deze vragen organiseerde PRIMO (Public Risk Management Organisation) in samenwerking met o.a. BNG Bank op 20 april een denktank om zich te bezinnen hoe bestuurlijk om te gaan met internationale onzekerheden op dit gebied. Voor deze ‘From Global to Local’ denktank mocht ik een keynote speech geven waarin de uitkomsten van het Global Risks Report 2018 van het World Economic Forum tegen het licht werden gehouden. De denktank richtte zich op adviezen over wat op de agenda van de nieuwe Colleges zou moeten staan.

    Bastiaan Zoeteman tijdens de PRIMO denktank ‘From Global to Local’

    Dat de energietransitie een grote opgave voor alle betrokkenen is mag duidelijk zijn. Het grootste deel (70%) van de nationale opgave om CO2 neutraal te worden ligt bij de industrie en de elektriciteitscentrales. Maar ook de andere overheden naast het rijk moeten flink aan de bak waar het gaat om de woonomgeving, het verkeer en de landbouw. Gedeputeerde Jan Jacob van Dijk (CDA) van Gelderland noemt de energietransitie ‘de grootste verandering in ons land na de Tweede Wereldoorlog’. Ondanks de onzekerheden op internationaal vlak wordt van het lokale bestuur een duidelijke aanpak en vastberadenheid gevraagd. Daarbij staan gemeenten voor verschillende opgaven, zoals onder meer blijkt uit de in 2017 door Telos uitgebrachte Nationale monitor duurzame gemeenten 2017.

    De verhouding tussen de CO2 emissie (kg CO2 per inwoner) in rapportagejaar 2017 ten opzichte van 1990 (donkergroen: 30% afgenomen, donkerrood: 30% toegenomen) (Telos, 2017)

    De gemeenten waar de CO2 emissie het meest toenam de afgelopen kwart eeuw liggen vooral in het noordwestelijke deel van ons land en huisvesten vooral de industriegebieden. Voor deze gemeenten is het vaak minder eenvoudig hun emissie terug te brengen dan voor de anderen. Gemeenschappelijk is de uitdaging om bijvoorbeeld over te gaan tot aardgasvrije nieuwbouwwijken.

    Maar gemeenten moeten vaak in hun specifieke situatie tot eigen oplossingen komen. De verschillen komen naar voren bij het in kaart brengen van het tijdpad om klimaatneutraal te worden, zoals dit is geïnventariseerd in de Governance monitor duurzame gemeenten van 2016 van Telos.

    Klimaat doelstellingen van gemeenten (Governance monitor duurzame gemeenten, Telos 2017)

    Gemeente Goeree-Overflakkee biedt een interessant voorbeeld hoe van de opgave tot energietransitie een kans te maken.

    Het aanvankelijke verzet tegen de verplichting om 300 megawatt windenergie op te wekken werd omgezet tot nieuw elan door zelf het initiatief op te eisen en de locaties voor 225 megawatt windmolens te kiezen en de rest alternatief in te vullen met 70 megawatt aan zonnepanelen en een getijdecentrale in de Brouwersdam van 30 megawatt. In 2020 wil de gemeente al energieneutraal zijn. Deze gemeente laat zich niet weerhouden door internationale onzekerheden en laat zien dat het snel kan gaan.

  • De stemmen geteld, de kaarten gekleurd

    26-04-2018 0 reacties

    Josse de Voogd

    Werkt bij Telos aan een boek over de verkiezingsgeografie van Nederland. Voor de Provincie Brabant schreef hij deze analyse van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Tijdens de verkiezingsavond was hij te gast bij de NOS.

    Na elke verkiezing kan er weer een nieuwe politieke kaart van Nederland ingekleurd worden. Een kaart waarop veel bekende patronen intact blijven; in Urk wint weer een christelijke partij. Maar waarop ook verrassende uitslagen zijn te zien; zoals Groep de Mos die aan kop gaat in Den Haag en GroenLinks dat wint in Helmond.

    Net als in 2014 domineren lokale partijen het grootste deel van Nederland. Vooral bezuiden een lijn die vanuit Zeeuws-Vlaanderen door het Rivierengebied naar de Achterhoek loopt zien we veel gemeenten waar het aandeel stemmen op lokale partijen hoog ligt. Het is precies het gebied waar in het verleden de Katholieke Volkspartij domineerde. Het is een culturele scheidslijn die teruggaat tot de Tachtigjarige Oorlog. In het zuiden ontwikkelde zich een andere politieke cultuur waarin het persoonlijke een grotere rol speelde ten opzichte van ideologie. De extra steun voor lokale partijen is een restant van deze traditie.

    Figuur 1. Aandeel lokale partijen per gemeente

    De verkiezingen lieten een verdere versnippering zien van het electoraat. In veel gemeenten traden nieuwe partijen toe, zoals DENK en PVV. In de gemeente ’s-Hertogenbosch zijn nu 14 partijen vertegenwoordigd in de raad en stemde slechts 12,5% van de opgekomen kiezers op de grootste partij. In het geval van Brabant valt op dat het aantal partijen per gemeente gemiddeld is toegenomen. Tegelijk is het aantal partijen dat minimaal nodig is voor een meerderheidscoalitie vaak afgenomen. De versplintering zit dus vooral aan de ‘onderkant’: er komen meer kleine partijen bij, maar dat gaat vaak niet ten koste van de grootste partijen.

    En zo worden nu het stof is neergedaald de patronen duidelijker en blijken sommige conclusies achteraf wat voorbarig. Op de verkiezingsavond was GroenLinks de grote winnaar en de SP de grote verliezer. Maar De SP boekte in 2014 een zeer goede uitslag, deed in een beperkt aantal gemeenten mee, heeft veel last van concurrentie met lokale partijen en moet het hebben van groepen kiezers die slecht opkomen bij zogenoemde tweederangs verkiezingen. GroenLinks daarentegen kwam van een lage score, deed juist in die gemeenten mee waar ze sterk is, heeft weinig last van lokale partijen en is sterk onder hogeropgeleiden die goed opkomen. Ook profiteert de partij van de nivellering van het partijlandschap. Met scores die in het verleden ook al eens werden behaald is het nu makkelijker om de grootste partij te worden.  Rekening houdend met al deze factoren komt de uitslag overeen met de huidige score in de Tweede Kamer en in de peilingen, waar SP en GroenLinks elkaar niet veel ontlopen. Bij een nadere analyse valt ook op hoe er naast 50PLUS veel lokale ouderenpartijen zijn. En hoe verschillende lokale partijen vaak sterk leunen op bepaalde dorpen binnen een gemeente. De verkiezingskaart is een bont geheel.

    De uitslag voor een partij als GroenLinks laat zien dat typologieën van gemeenten relevanter zijn dan de mate van stedelijkheid. De partij wordt nogal eens gezien als partij van de steden. Maar de scores in Rotterdam en Den Haag blijven achter. Tegelijk is de partij wel groot in gemeenten als Zeist, Culemborg, Renkum en Zutphen. Het zijn specifieke randgemeenten van GroenLinks gezinde steden en plaatsen die bekend staan om hun Vrijescholen en ecowijken. Uniek is de winst in Helmond, een voorbeeld waaruit blijkt dat lokale thema’s en lokale gezichten bij raadsverkiezingen het verschil kunnen maken.

    Tegelijk met de raadsverkiezingen werd het referendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gehouden. De tegenstem won nipt van de voorstem. Op de kaart valt op dat vooral de steden en het noorden tegen hebben gestemd. In een aantal gemeenten vonden geen raadsverkiezingen plaats en daar zien we dat de opkomst voor het referendum een stuk lager is. In sommige van die gemeenten lijkt de balans net ietsje verder door te slaan naar tegen dan in buurgemeenten met een vergelijkbaar politiek profiel. Opvallend is dat de uitslagenkaart er volkomen anders uit ziet dan die van de referenda in 2005 over de Europese grondwet en in 2016 over het verdrag met Oekraïne. Het zijn duidelijk niet dezelfde gebieden en niet dezelfde kiezersgroepen die massaal tegenstemmen. Scheidslijnen lopen weer anders door de partijen en door de regio’s heen. De inhoud doet er toe.

  • Krimp in o.a. Delfzijl, Den Helder, Sluis en Vaals is ‘geen probleem’

    16-04-2018 0 reacties

    Bastiaan Zoeteman

    Wie regelmatig in Amsterdam verblijft, kent de nadelen van dicht op elkaar gepakt zitten in een groeigemeente: torenhoge huizenprijzen, kogels die over straat vliegen, ternauwernood ontsnappen aan asociaal voortbewegende  fietsen en scooters, blootstaan aan vliegtuiglawaai en ratelende koffertjes van Airbnb-toeristen, en een overal opduikende misselijk makende  wietwalm. Dan is de stap groot naar het fenomeen van de krimpgemeenten waar NRC  de afgelopen weken een onderzoek naar deed. In een samenvattend Commentaar  (NRC Weekend 8 en 9 april 2018, Opinie & Debat) stelt men: ‘krimpgebieden zijn een gegeven en geen probleem’. Geen probleem omdat de overheid krimpgebieden niet met stimulerende economische maatregelen zou moeten aanpakken om ze te laten groeien maar de bevolkingsafname gewoon zou moeten accepteren en begeleiden.

    In de laatste Nationale monitor duurzame gemeenten 2017 is de krimpgemeente als een apart type onderscheiden en onderzocht. De 54 krimpgemeenten (bevolking nam meer dan 2% af in de periode 2007-2017) liggen vooral in de hoekpunten en het oosten van ons land.

    Telos, Nationale monitor duurzame gemeenten, 2017

    In de monitor wordt ook dieper ingegaan op de kenmerken van de krimpgemeenten. De afname van de bevolking geeft een lagere duurzaamheidscore die vooral voor rekening komt van fors lagere economische en sociaal-culturele prestaties dan gemiddeld. Maar er zijn ook positieve kenmerken. Het milieu is er schoner. Hier is nog ruimte. Veel krimpgemeenten zijn toeristische trekpleisters, zoals De Marne, Den Helder, Sluis en Vaals. 

    Kade te Sluis, Foto: Jean-Pol Grandmont

    Borg Verhildersum, te De Marne, foto: Hardscarf

    NRC betwijfelt of investeren in de krimpregio’s vanuit een verdelende rechtvaardigheid door vadertje staat zin heeft, gezien het gefaalde vroegere spreidingsbeleid van het Rijk. Toch kan het Rijk wel degelijk nuttige dingen doen. Burgemeesters zouden graag middelen hebben om oude panden in verpauperde wijken te slopen. Ook kan de recreatiefunctie, waar die exploitabel is, worden ondersteund. Hier zou het rijk een ruimhartige financiële hand moeten reiken om deze krimpgemeenten aan de grenzen het gevoel te geven ook bij ons koninkrijk te horen door de  leefomgevingskwaliteit op een nationaal minimum peil te helpen houden . Per saldo kan dit gezien het beperkte aantal inwoners niet om grote kosten gaan. Zo kunnen juist de grensregio’s die het in economisch slechte tijden extra moesten bezuren een steun in de rug krijgen waardoor ze ook aantrekkelijker worden voor buitenlandse toeristen. Uit het oog van het Haagse Binnenhof hoeft immers niet te betekenen uit het hart.  En voor de geplaagde Amsterdammers zijn de hoeken van ons land niet ver en een zegen van natuur en rust.   

     

  • Stemmen: voor de raad en op de kaart

    21-03-2018 0 reacties

    Josse de Voogd

    werkt bij Telos aan een boek over de verkiezingsgeografie van Nederland. Vanavond speelt hij een rol tijdens de uitslagenavond van de NOS.

     

    Vandaag mag Nederland naar de stembus. In 333 gemeenten wordt een nieuwe raad gekozen, en in alle gemeenten, ook in de 55 die niet meedoen vanwege een herindeling, kan men een stem uitbrengen voor het referendum over de sleepwet. De uitslagenkaarten die in de nacht na de verkiezingen verschijnen geven altijd weer een waardevolle blik op de stand van het land. Want verkiezingen kun je zien als de grootste enquête van Nederland.

     

    Hoewel een stem een individueel afgewogen keuze is die per verkiezing kan verschillen, zien we, als we al deze stemmen bij elkaar optellen, toch veel continuïteit. Bestandslijnen uit oude oorlogen, een andere ontwikkelingsgeschiedenis van zand of veengrond, industrialisatie naar katholiek model: we zien het allemaal nog op de kaart. De huidige verkiezingsgeografie kun je dan ook zien als het resultaat van verschillende lagen die in de loop der tijd zijn afgezet, als sedimenten in een rivierdelta.

     

    Figuur 1. Grootste partij bij gemeenteraadsverkiezingen 2014

     

    Zo is er sprake van een onderste laag waarin staatsvorming en religie van belang zijn. Het zuiden bleef katholiek na de Tachtigjarige oorlog en ontwikkelde een andere politieke cultuur. Een cultuur waarin personen er meer toe doen en ideologieën minder. Tot de dag van vandaag zien we dit bijvoorbeeld terug in het grotere aantal lokale partijen in het zuiden. Een volgende laag wordt gevormd door sociaal-economische tegenstellingen. Industrieën kwamen op en verdwenen soms weer. In de steden kwam veel sociale woningbouw, terwijl welvarende inwoners vaak naar buurgemeenten vertrokken. Meer recent zien we dat opleidingsniveau een belangrijke scheidslijn is geworden. Hoger opgeleiden en lager opgeleiden verschillen sterk van elkaar als het gaat om thema’s als migratie, globalisering en Europese eenwording. Daarmee samenhangend zijn ook leefstijl en identiteit thema’s geworden waarop partijen van elkaar verschillen.

     

    Tegelijk veranderen ook de ruimtelijke verschillen van karakter. Terwijl de steden (weer) in de lift zitten vindt in andere gebieden juist bevolkingskrimp plaats. Dit lijkt samen te gaan met een meer kosmopolitische oriëntatie in die steden tegenover een meer op de natiestaat gericht perspectief in de periferie. Het is een tegenstelling die dwars door oude links-rechts patronen heenloopt en die in steeds meer landen bij verkiezingen naar voren komt.

  • Een gezonde leefomgeving in een verdichtende binnenstad? Eindhoven gaat de uitdaging aan

    16-03-2018 0 reacties

    Rens Mulder

    Het gaat goed met de stad. In heel Europa is de trend zichtbaar dat mensen meer en meer in de stad willen wonen. Vooral jongeren en jonge, hoogopgeleide gezinnen zijn niet weg te slaan uit de steden. In Nederland is deze trend maar al te goed zichtbaar en voelbaar. Steden als Amsterdam en Utrecht barsten uit hun voegen. Er is geen huis meer te krijgen, en de huizenprijzen reizen de pan uit. Dit is ook in de politiek niet onopgemerkt gebleven. De woningmarkt is uitgegroeid tot het verkiezingsthema van 2018: er wordt te weinig gebouwd.


    Figuur 1. Woningschaarste in Nederland

    Veel steden zoals Eindhoven en Rotterdam kiezen ervoor om meer te verstedelijken in de binnenstad, in plaats van verder uit te dijen aan de gemeentegrenzen. Zo krijgen de steden een meer stedelijk karakter, en blijven de groene gebieden aan de rand van de stad die als recreatiegebieden gebruikt kunnen worden in takt. Dit klinkt natuurlijk prachtig, maar deze ontwikkeling heeft ook een keerzijde. Steden staan namelijk voor een belangrijke transitieopgave: het ontwikkelen van een gezonde, verantwoorde en inclusieve leefomgeving. De vraag is of-, en hoe dit gerijmd kan worden met een sterk verdichtende binnenstad. Meer mensen betekent doorgaans immers meer overlast, meer verkeer en meer luchtvervuiling.

    De gemeente Eindhoven wil deze uitdaging oppakken. Deze week presenteerde zij het uitvoeringsprogramma ‘Binnen de ring’, met daarin de plannen om de verdichtingsopgave hand in hand te laten gaan met het ontwikkelen van een gezonde leefomgeving in de binnenstad. Hierin staan twee thema’s centraal. De omgeving zodanig inrichten dat enerzijds een gezonde leefstijl wordt bevorderd, terwijl anderzijds gezondheidsproblemen worden voorkomen. In concretere termen betekent dit dat iedere ontwikkeling in de binnenstad een bijdrage moet leveren aan het verbeteren van de luchtkwaliteit of een gezonde levensstijl. Dit kan bijvoorbeeld door meer groen en water aan te bieden binnen de stedelijke context, of door de openbare ruimte aantrekkelijker te maken voor lopen en fietsen. Daarbij is het belangrijk dat er sterke partnerschappen worden aangegaan tussen onder andere gemeenten, kennisinstellingen, (bouw)bedrijven en GGD’en. 


    Figuur 2. Visualisatie uit het project ‘Beleef Vestdijk’ van de gemeente Eindhoven

    Dit uitvoeringsprogramma raakt de thema’s waar Telos aan gewerkt heeft in het kader van de Brabantse Health Deal. Binnen de Brabantse Health Deal hebben wij samen met het RIVM, de waterschappen, de provincie, de Brabantse steden en de GGD’en een toolbox ontwikkeld voor een gezonde leefomgeving. Hierin hebben we onder andere geconcludeerd dat gezondheidsbescherming en –bevordering al moeten worden meegenomen in ruimtelijke planvorming. Daarnaast is het belangrijk om van elkaar te kunnen leren in het stimuleren van gezonde gebiedsontwikkeling. Samenwerking tussen verschillende partijen is daarbij de sleutel tot succes.

    Eindhoven is de uitdaging aangegaan om de gezonde leefomgeving als voorwaarde te stellen voor het verder ontwikkelen en verdichten van de binnenstad. Hopelijk zal dat als inspiratie dienen voor veel meer Nederlandse en Europese steden die eenzelfde transitie doorgaan. Daarom wil ik afsluiten met een (inmiddels) bekende Eindhovense kreet: 
     

     

  • Heerhugowaard loopt voorop in de energietransitie

    05-03-2018 0 reacties

    Rens Mulder & Corné Wentink

    Nog nooit zijn de lokale partijprogramma’s zo groen geweest als in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 (Trouw, 24 febr.). Van links tot rechts en van landelijk tot lokaal staat duurzaamheid, en dan vooral energie, in de spotlights. Binnen deze verkiezingsprogramma’s is er op het gebied van duurzaamheid vooral aandacht voor de thema’s die naar voren komen uit het nationaal energieakkoord. In het nationaal energieakkoord hebben gemeenten aangegeven zich in te zetten voor de energietransitie op het gebied van:

    • de gebouwde omgeving met een nadruk op (bestaande) woningbouw en maatschappelijk vastgoed
    • energiebesparing bij bedrijven door handhaving van de energiebesparingsverplichting uit de Wet milieubeheer
    • de aanleg van een lokale energie infrastructuur voor warmte en hernieuwbare energie
    • ruimte voor windenergie, bioenergie en warmte- en koudeopslag.

    De aandacht voor de energietransitie in de verkiezingsprogramma’s is natuurlijk prachtig, maar hoe zorgen we ervoor dat dit thema ook bij de coalitiebesprekingen op tafel blijft liggen? En waar moeten gemeenten dan hun inspiratie vandaan halen? Om die vraag te beantwoorden is het interessant om te zien hoe de Nederlandse gemeenten er nu voor staan. We hebben daartoe een score ontwikkeld die de huidige voortgang bij de energietransitie in beeld brengt op basis van een combinatie van een aantal indicatoren uit de Nationale Monitor Duurzame Gemeenten 2017, zoals het gas- en elektriciteitsverbruik, het gemiddelde energielabel van de woningen, de energieopbrengst uit zonne- en wind energie en de uiteindelijke emissie aan CO2.

    In figuur 1 is de score voor de stand van de energietransitie van de Nederlandse gemeenten weergegeven. Te zien is dat vooral gemeenten rondom het IJsselmeer goed scoren. Dit wordt veroorzaakt doordat er in dit gebied al aardig wat energie door middel van windturbines wordt opgewekt. Het gasgebruik in Nederland is in de Randstad relatief laag. Waarschijnlijk is dit een combinatie van de hier optredende mildere temperaturen in de winter (invloed van de zee) en een relatief hoog aantal nieuwbouwwoningen. Het elektriciteitsverbruik in woningen is vooral in het zuidoosten van het land relatief hoog, mogelijk gerelateerd aan de gemiddelde woninggrootte. Het gemiddelde energielabel van woningen laat geen duidelijk landelijk patroon zien. Wel lijkt het erop dat in relatief rijkere gemeenten de woningen energiezuiniger zijn. Zonnestroom laat ook een divers beeld zien. Grote gemeenten wekken relatief veel zonne-energie per inwoner op, evenals kleinere rijkere gemeenten. De emissie van koolstofdioxide per inwoner is vooral hoog in gemeenten met veel industrie.

    Figuur 1 Totaalscore energietransitie

    Al met al zijn de gemeenten in het westen van het land wat verder met de energietransities dan die in het oosten, met enkele uitzonderingen zoals Zutphen, Kerkrade en Aalten. Heerhugowaard scoort het beste van alle Nederlandse gemeenten. Ook Langedijk, de buurgemeente van Heerhugowaard, scoort goed op het thema energietransitie. In de best scorende tien gemeenten (tabel 1) komen veel jonge groeikernen voor. Dit is het gevolg van de vele nieuwbouw die relatief energiezuinig is.

    Tabel 1 Tien hoogst scorende gemeenten op energietransitie

    Gemeente

    Score energie­transitie
    (0-100)

    Heerhugowaard

    70

    Nieuwegein

    68

    Vlaardingen

    67

    Zoetermeer

    67

    Kerkrade

    67

    Zwolle

    67

    Almere

    66

    Culemborg

    65

    Langedijk

    64

    Houten

    64

     

    Er zijn al met al grote regionale verschillen te zien in de mate waarin gemeenten gevorderd zijn in de energietransitie. Het antwoord op de vraag waar inspiratie opgedaan kan worden voor het aanpakken van de energietransitie is dus divers. Niet iedere gemeente staat voor dezelfde uitdagingen. Dat neemt niet weg dat gemeenten veel van elkaar kunnen leren. Wat doet een laag scorende gemeente als Geldermalsen anders op het gebied van de energietransitie dan buurgemeente Culemborg dat veel hoger scoort? In het uitwisselen van ideeën en ervaringen kan kracht worden geput om de doelen van de energietransitie te halen en daarmee de Nederlandse verplichtingen uit het Parijse klimaatverdrag. Telos maakt voor gemeenten duurzaamheidsportretten die tot in detail aangeven welke sterke punten de gemeente op dit gebied kent en waar nog een verbeterslag te maken is. 

     

  • Nijmegen goed voorbeeld van profilering op basis van duurzaamheid benchmarking

    26-02-2018 0 reacties

    Bastiaan Zoeteman

    De gemeenteraadsverkiezingen staan voor de deur. Een moment om terug te kijken voordat de plannen voor de komende jaren in het vat worden gegoten. Als gemeente is het op zo’n moment ook verhelderend je eigen plaats te bepalen ten opzichte van andere gemeenten. Waar blink je in uit? Waar kan het beter? Deze week stond er een aardig artikel in Stadszaken over de gemeente Nijmegen. Nijmegen heeft zich onderscheiden in Europees verband door het winnen in 2016 van de European Green Capital Award die jaarlijks sinds 2010 door de Europese Commissie wordt uitgereikt. Het artikel in Stadszaken laat zien hoe twee jaar later in deze gemeente klimaatadaptatie en vergroening voortvarend zijn opgepakt.

    Foto: De Gelderlander

    Zulke prijzen stimuleren gemeenten, maar roepen ook de vraag op hoe objectief de boodschap is die ervan uit gaat. Telos heeft in 2016 31 Nederlandse steden op duurzaamheid vergeleken met 114 Europese steden. Dit onderzoek is met steun van de Europese Commissie en gesponsord door het ministerie van Binnenlandse Zaken uitgevoerd en biedt een meer objectiveerbare maatstaf voor vergelijking op basis van 86 indicatoren. In het algemeen doen de Nederlandse steden het goed binnen de EU maar moeten zij Scandinavische gemeenten voor laten gaan, zoals onderstaande figuur uit het rapport laat zien.

    Uit: Towards Sustainable EU cities, 2 maart 2016, Telos Nr 16.142, p.39

    Een belangrijke factor hierbij is dat elke gemeente voor deels unieke uitdagingen staat. Daarom heeft Telos gemeenten inge­deeld in verschillende typen. Vergelijking met gemeenten van het zelfde type, waaronder grootte, industrieel karakter en dergelijke, geeft dan een veel specifiekere vergelijkingsmogelijkheid. Wie is geïnteres­seerd in de vergelijking tussen de duurzaam­heid van een van de 31 onderzochte Nederlandse steden en een Europese stad kan dit zelf nagaan, zie: www.sustainablecitiesbenchmark.eu. Verder biedt de Nationale monitor duurzame gemeenten 2017 voor alle gemeenten in ons land aanknopingspunten om de eigen be­leids­­uitdagingen scherp in beeld te brengen en op basis daarvan politieke prioriteiten te kiezen.

     

  • Investeer slimmer in duurzame energie

    12-01-2015 0 reacties

    Wim Konz en Han van Kasteren

    In het landelijk energieakkoord is na lang onderhandelen een compromis gesloten over hoe de weg naar 14% duurzame energie in 2020 in Nederland eruit kan zien. Uit de Nederlandse energiebalans blijkt dat bijna de helft van de energie op gaat aan warmtegebruik, slechts 16% aan elektriciteitsgebruik en veel restwarmte onbenut blijft Bij warmte is derhalve meer winst te halen.

    Dit kan vooral door meer efficiëntie via slimme warmteverbindingen en door het gebruik van nieuwe opslagmethoden. Warmte is in principe slechts over relatief korte afstanden transporteerbaar. Daarom liggen decentrale opslagvoorzieningen en lokale verbindingen het meest voor de hand.

    Uitgangspunt bij investeringen in duurzame energie moet zijn dat te nemen maatregelen bijdragen aan energiebesparing en onafhankelijk van de beleidskeuzen altijd van nut blijven (no-regret). Zo is bij energievoorziening gebaseerd op bioreststromen de brandstof eenvoudig om te schakelen naar fossiele brandstoffen, zonder verlies aan investeringen.

    Over grootschalige windparken op zee is nogal wat discussie ontstaan vanwege de kosten en rendement hiervan: 5 miljard investeringen is nogal wat. Natuurlijk kunnen door veranderende omstandigheden en voortschrijdende inzicht investeringsbeslissingen heroverwogen worden, ook die van de windmolens op zee.. Wel dient bij een dergelijke heroverweging het gewenste doel, 14% duurzame energie, voorop te blijven staan en gelijk een alternatief geboden te worden!

    Windmolens kunnen uiteindelijk slechts een beperkt deel van de elektriciteitsbehoefte opleveren en daardoor een beperkte bijdrage aan de vergroening van het energiesysteem. Om de technologie verder te ontwikkelen en de kosteneffectiviteit te verbeteren is beperkt (bijvoorbeeld 1miljard euro) investeren in een windpark desondanks uit energetisch oogpunt te verdedigen. Er is dan 4 miljard beschikbaar voor andere minder omstreden energiemaatregelen met een hoger energetisch rendement (bijvoorbeeld huizen isoleren).

    Wij pleiten er daarnaast voor om energiebesparing in de bestaande industrie (grootverbruikers) te faciliteren en met een aanvullend convenant te stimuleren. Dit is in het energieakkoord een vergeten groep. Het grote voordeel daarvan is dat tegelijkertijd de milieubelasting die gepaard gaat met de energieopwekking (stikstofdepositie en fijn stof) verminderd wordt. Dit was reeds een van de hoofdconclusies van het door Telos georganiseerde fijn stof congres in 2011. Dit is ondanks herhaalde verzoeken van de industrie tot nu toe geen beleid geworden.

    Tenslotte zal een dergelijke verbreding van het beleid het draagvlak onder het landelijke energieakkoord versterken en het halen van de 14% duurzame energie in 2020 alsnog mogelijk maken.