Blog

  • Arbeidsmigratie: Meer dan alleen huisvesting.

    April 28, 2020 77 keer bekeken 0 comments

    Marleen van der Haar & Sanne Paenen
    Adviseur-onderzoekers bij Telos/Het PON

    ‘Arbeidsmigranten vrezen ontslag, besmetting en reisbeperkingen door corona’ kopt een artikel van het NOS van 21 maart jongstleden. Het is voor deze buitenlandse werknemers, die vaak met meerdere personen op één kamer wonen, onmogelijk om zich aan de maatregelen te houden. Zeker nu, in tijden van corona, is de huisvesting van arbeidsmigranten dus een belangrijk onderwerp. Maar ze maken zich ook zorgen over hun arbeidspositie. Veel migranten zijn bang dat ze door de coronacrisis niet voldoende inkomsten meer hebben.

    Dringende vraagstukken die een dringende oplossing nodig hebben. Maar ook voordat de coronacrisis ontstond en ook zeker als deze weer voorbij is, is het nodig om de impact van arbeidsmigratie op werken, wonen en samenleven in goede banen te leiden. En hier liggen volgens ons nog flinke uitdagingen. Want hoe komt het toch dat een gesprek over arbeidsmigratie met gemeenten vrijwel altijd uitmondt in een vraagstuk dat alleen nog over huisvesting gaat? Vooropgesteld is dit natuurlijk een belangrijke vraag, maar de mensen die er gaan wonen blijven bijna altijd volledig uit beeld. En dat terwijl het kennen van deze mensen, hun arbeidssituatie, hun herkomst, hun intenties en hun behoeften essentieel zijn voor een succesvol arbeidsmigratieklimaat.

    Verhalen van arbeidsmigranten zelf over wat flexwerk en meerpersoonskamerbewoning betekenen ten tijde van coronamaatregelen, lezen we nu wel in de media en belangenbehartigers pakken hun rol  (zie bijvoorbeeld deze artikelen van de Volkskrant en FNV). Zullen deze verhalen zorgen voor een doorbraak in de aanpak van arbeidsmigratie? Tijdens 'normale' omstandigheden voeren ambtenaren, beleidsmakers en bestuurders vooral gesprekken over huisvesting, voornamelijk met marktpartijen, zoals werkgevers, uitzendbureaus, huisvesters en projectontwikkelaars. Deze marktpartijen vragen de gemeente meestal om ruimte en om snelheid in besluitvorming. Gemeenten vragen marktpartijen op hun beurt om verantwoordelijkheid. Maar is het wel realistisch om verantwoordelijkheid te vragen aan partijen die ook en vooral gefocust zijn op winstmaximalisatie?

    In een brief van 6 april zegt Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Koolmees dat gemeenten regionale afspraken moeten maken over de huisvesting van arbeidsmigranten. Maar hoe doe je dat als buurgemeenten samen? Hoe verdeel je de taken? Wat betekent het voor een kleine gemeente als er arbeidsmigranten wonen die werken in een nabije grote stad? En waarom lijkt het bieden van tijdelijke woonruimte in grootschalige voorzieningen op bedrijventerreinen nu de nieuwe oplossing voor het vermijden van onrust onder andere bewoners? Deze vragen gaan allang niet meer alleen over het realiseren van huisvesting alleen. Ze veronderstellen een visie op hoe de samenleving eruit ziet en hoe arbeidsmigratie daarin past.  

    Pas geleden schreven we dat de resultaten van ons recente onderzoek naar arbeidsmigranten gebruikt kunnen worden als praatstuk voor gesprekken tussen gemeenten en lokale stakeholders. Als we weten over wie we het hebben, wat hun arbeidssituatie is en wat hun behoeften zijn, dan kunnen we keuzes over o.a. huisvesting immers beter afwegen. Maar daarvoor moeten marktpartijen wel openheid geven over de inzet van arbeidsmigranten in het arbeidsproces. De grootste groep arbeidsmigranten heeft namelijk een instabiele en kwetsbare arbeidspositie. Deze werknemers werken als uitzendkracht voor een laag uurloon, op een contract van een bepaalde tijd. Wat betekent deze kwetsbare arbeidspositie voor hun plek in de Nederlandse samenleving? Wat zegt dit over de Brabantse arbeidsmarkt? Wie durft het aan een langetermijnvisie te formuleren en daar naar te handelen? Belangrijke vragen waarvan de antwoorden allemaal mee zouden moeten wegen in de keuze voor gemeentelijk beleid. Deze vragen laten ook zien dat gemeentelijke afdelingen zoals economie en wonen de beelden vanuit de verschillende beleidsterreinen samen zouden moeten brengen en het brede vraagstuk van arbeidsmigratie gezamenlijk zouden moeten oppakken.

    Gelukkig zien we ook dat de verschillende partijen elkaar al meer en meer opzoeken. Niet alleen stemmen gemeenten intensiever regionaal af, ook voeren gemeenten, marktpartijen en mondjesmaat maatschappelijke organisaties met elkaar in regioverband gesprekken over het vraagstuk. Zal dit leiden tot meer samenwerking? En zo ja, op welke manier dan? Hoe verhouden dan de verdienmodellen zich tot de publieke belangen en het welzijn van deze kwetsbare groep mensen? Welke gedeelde visie kunnen deze partijen formuleren?

    Wij vinden dat de oplossingen niet enkel gezocht moeten worden in het formuleren van beleidsregels voor huisvesting en het vergunnen van kavels voor grootschalige voorzieningen op bedrijventerreinen. Opnieuw stellen we dat een breed gevoerd debat in Brabant bij kan dragen aan meer duurzame oplossingen voor zowel samenleving als economie.

    Lees verder in ons nieuwe rapport Arbeidsmigratiecijfers in Brabant

  • Nieuwe cijfers over arbeidsmigranten helpen overheden bij het maken van beleid

    April 28, 2020 67 keer bekeken 0 comments

    Marleen van der Haar & Sanne Paenen
    Adviseur-Onderzoekers bij Telos/Het PON

    In Nederland is een groot aantal arbeidsmigranten werkzaam. In 2018 ging het om bijna 650.000 mensen. 14% daarvan werkte in 2018 voor een werkgever gevestigd in een Brabantse gemeente. We hebben het dan over bijna 92.000 arbeidsmigranten. Arbeidsmigratie is dus een belangrijk thema voor Brabantse gemeenten en de provincie Noord-Brabant. Zij missen echter actuele en vergelijkbare informatie over aantallen arbeidsmigranten op het gebied van werken en wonen, hun arbeidssituatie en wie deze groep buitenlandse werknemers is. Informatie die wel nodig is om goed beleid te kunnen maken en beslissingen te nemen. Voor de lange termijn, maar ook voor de korte termijn. Want veel arbeidsmigranten zijn uitzendkrachten (flexwerkers) of werken als seizoenskracht in de landbouw. De onzekerheid over arbeid is voor hen door de huidige coronamaatregelen nog veel groter geworden. En ook voor de bedrijven die normaal gesproken deze arbeidsmigranten inzetten; zij moeten nog maar zien of zij genoeg mensen kunnen vinden om het werk te doen (zie NOS nieuwsbericht van 20 maart). Sturingsinformatie en begrip van de situatie zijn onmisbaar.

    In opdracht van de provincie Noord-Brabant heeft het PON/Telos de Brabantse situatie voor 2018 in beeld gebracht. We maakten hierbij gebruik van microdata van het CBS. Ons onderzoek laat zien dat in iedere Brabantse gemeente arbeidsmigranten werken en wonen. De onderzoeksresultaten leveren een inhoudelijke bijdrage aan beleidsvorming op het gebied van economie/arbeidsmarkt, huisvesting en sociaal domein. Voor individuele gemeenten, voor (op te zetten) samenwerkingsverbanden in de regio en voor de provincie.

    De resultaten in het kort

    Werken. In 2018 waren er in Nederland zo’n 650.000 arbeidsmigranten werkzaam [1]. 14% daarvan, bijna 92.000 mensen, werkte voor een werkgever die gevestigd is in een Brabantse gemeente. In alle Brabantse gemeenten zijn werkgevers die arbeidsmigranten inzetten. De hoogste aantallen arbeidsmigranten vinden we bij werkgevers in het stedelijk gebied Eindhoven en Noordoost-Brabant. In die twee gebieden samen werkt bijna 45% van het totaal aantal arbeidsmigranten met een Brabantse werkgever.

    Wie is arbeidsmigrant? Bijna twee derde van de arbeidsmigranten komt uit Midden- en Oost-Europa, waarvan de grootste groep (45%) uit Polen komt. Arbeidsmigranten zijn iets vaker man (ruim 60%) dan vrouw en bijna 60% is jonger dan 35 jaar. Veel arbeidsmigranten in Brabant hebben een kwetsbare arbeidspositie. Twee derde verdient onder de 12 euro per uur en bijna drie kwart heeft een tijdelijk contract. Net als ander onderzoek laat ook ons onderzoek zien dat ongeveer de helft via arbeidsbemiddeling en uitzendbureaus werkt. De tweede grootste sector is de landbouw.

    Wonen. Als het gaat om wonen is voor een grote groep arbeidsmigranten geen verblijfsplaats bekend. Landelijk betekent dit dat in 2018 van 314.000 werkzame arbeidsmigranten niet bekend was waar ze verbleven. Dat komt zowel omdat mensen die korter dan 4 maanden in Nederland verblijven zich niet bij een gemeentelijk register hoeven in te schrijven en ook omdat de registratiegraad in de Basisregistratie Personen (BRP) onder arbeidsmigranten laag is.

    Hoewel we door gebrek aan data [2] geen informatie hebben over de verblijfplaats van niet-BRP ingeschreven arbeidsmigranten laat dit onderzoek zien dat in iedere Brabantse gemeente zijn arbeidsmigranten woonachtig zijn. In 2018 stonden ruim 53.500 arbeidsmigranten ingeschreven in het BRP van een Brabantse gemeente. Het aantal ingeschreven arbeidsmigranten verschilt aanzienlijk per gemeente. De hoogste aantallen zien we in de grote Brabantse steden. De helft van de ingeschreven arbeidsmigranten is maximaal drie jaar ingeschreven in de gemeente. Ruim een derde van deze ingeschreven arbeidsmigranten woont in dezelfde gemeente als waar ze werken. Driekwart van de ingeschreven arbeidsmigranten werkt voor een Brabantse werkgever en een kwart van deze groep werkt buiten de provincie.

    Onderzoek als praatstuk voor overheid en markt
    Hoewel dit onderzoek veel bruikbare kennis biedt voor beleidsmakers, laat het ook zien dat er nog preciezere informatie nodig is. Voor gemeenten – die (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten vaak het hoogst op de beleidsagenda hebben staan – is dat nodig om de werkelijke huisvestingsvraag verder in kaart te brengen. Dat kan door de onderzoeksresultaten te gebruiken als praatstuk. Gemeenten kunnen op basis van de cijfers met lokale stakeholders – zoals werkgevers en bedrijven die arbeidsmigranten inhuren via arbeidsbemiddeling/uitzendbureaus en vervolgens ook huisvesters – in gesprek gaan om zo het lokale beeld verder in te kleuren. Lokale stakeholders zouden openheid moeten bieden over de inzet van arbeidsmigranten in het arbeidsproces, zoals hoeveel en hoelang ze werken, of deze inzet tijdelijk of structureel is en of dit voor de korte of lange termijn is. Daarmee kunnen de betrokkenen beter afwegen in welke mate voorzieningen voor tijdelijke huisvesting (short en midstay) en in welke mate reguliere huisvesting nodig is.

    Klik hier voor het volledige onderzoeksrapport

    Bronnen:

    [1] Arbeidsmigranten zijn buitenlandse werknemers die geen kennismigrant zijn en vanaf 2004 in Nederland zijn komen werken en/of wonen. Voor dit onderzoek zijn alleen werknemers opgenomen die niet in Nederland geboren en/of niet de Nederlandse nationaliteit hebben, die géén kennismigrant zijn (vastgesteld op basis van inkomen; onder de 30 jaar is de ondergrens 18,66 euro per uur en boven de 30 jaar 25,45 euro per uur); en vanaf 2004 in Nederland zijn gaan werken en/of wonen (het jaartal 2004 hangt samen met de relatief recente uitbreiding van de EU met landen uit Midden en Oost Europa en de daarmee gepaard gaande vrij verkeer van personen).

    [2] Voor meer details verwijzen we naar de leeswijzer en onderzoeksverantwoording in de onderzoeksnotitie Arbeidsmigratiecijfers in Brabant (2020).

  • Privacy walk Tilburg: “Geen guest lecture maar een walking lecture”

    March 08, 2019 1189 keer bekeken 0 comments

    Ben Smits
    Studentassistent bij Telos, Brabants Centrum voor Duurzame Ontwikkeling

    “Geen guest lecture maar een walking lecture” zo beschreef een van de deelenemers de privacy tour van afgelopen dinsdag, 26 februari. Het FutureLab, onderdeel van de bibliotheek van Tilburg, organiseerde in samenwerking met Telos, het Brabantse centrum voor duurzame ontwikkeling, de privacy tour namens het 25 jarige bestaan van Tilburg Institute of Law and Technology. Deze educatieve tour stelde de deelnemers bloot aan diverse plekken in het centrum van Tilburg waar hun data wordt verzameld. Tijdens deze tour was het doel om al wandelend door het centrum een discussie te creëren. Een discussie gericht op de wijze waarop mensen in de binnenstad worden geregistreerd, hoe met deze data wordt omgegaan en wat er met deze data gedaan zou kunnen worden.

    Na een korte kennismaking met veel verschillende nationaliteiten en achtergronden ging de wandeling richting het centrum van start. Vanuit de LocHal begon de wandeling richting het station. Onder de perrons werden twee intensieve data verzamelpunten besproken. Eerst de NS en Translink met hun persoonlijke en anonieme ov-chipkaart daarna de Appie met haar bonuskaart. Iedereen was tot hier zich ervan bewust dat er data werd verzameld, maar niet in welke mate en met welke doeleinden. Dat laatste kwam bij een aantal deelnemers als relatief schokkend binnen. Een lichte discussie volgde al snel en al wandelend werden er woorden gewisseld over personalisaties van de NS en AH.

    Bij het ING-kantoor tegenover het station was alweer de volgende stop. Hier werd kort besproken wat de banken komende jaren willen gaan invoeren. Namelijk, de nieuwe Europese richtlijnen voor betalingsverkeer van consumenten en bedrijven, PSD2. Na het kantoor van de ING vervolgde de wandeling zich naar het koffiecafé Buutvrij. Hier werd kort beschreven wat het Wi-Fi netwerk in zo’n café kan verzamelen en tegelijkertijd kan blootleggen aan andere gebruikers van dat netwerk.

    Op het vijf-wegenkruispunt liep de tour de Tuinstraat in en stopte de groep bij een zwarte onopvallende paal met daarop een beveiligingscamera.  Met deze camera als uitgangspunt werd kort maar krachtig het frontier besproken van computer vision en kunstmatige intelligentie (AI) en haar toepassingen. Na deze uitleg kwam de groep al snel tot de conclusie dat een camera die zoveel mensen tegelijkertijd om 8 uur vastlegt toch wel een belletje zou kunnen laten afgaan aan de andere kant van die camera. Na deze camera spotte de groep nog een aantal andere camera’s, waarbij we ook die van de H&M hebben besproken. Ook al hing deze camera binnen, wij waren als groep alsnog zichtbaar op de beelden en wie weet voor wie nog meer…

    Tegelijkertijd hebben we tussen de camera’s door het openbare Wi-Fi netwerk van de gemeente proberen te vinden, _Free WiFi Tilburg. Dit lukte bij een aantal van de groep. Hier werd besproken wat zo’n netwerk allemaal kan, mag en ziet, maar misschien nog wel erger wat ze er zonder ons bewustzijn mee doen. Terwijl er tijdens dit gesprek werd gezocht naar het netwerk van de gemeente vond iedereen op zijn telefoon wel tientallen andere netwerken. Deze waren van de winkels net zoals de bluetooth beacons die werden gevonden door de telefoons van de deelnemers. Hierop werd kort uitgelegd wat er allemaal al mogelijk is met deze technologieën en wat er dan van de mensen die daar rondlopen wordt vastgelegd. Wederom gaf dit rillingen, maar ook een stukje bewustzijn van iemand zijn telefoongebruik.

    Na deze wijze lessen sloeg de groep de Willem-II-straat in de richting het station, maar voordat ze daar waren werd er nog even stilgestaan bij het kleine kerkje. Niet vanwege iemand zijn geloof, maar omdat er wel geteld 6 camera’s rondom dit onschuldige gebouw te vinden zijn. Alle camera’s staan gericht op de ingang van het kerkje. Waarbij de privacy tour en zijn deelnemers er dus ook opstaan. Waarom 6 camera’s kon de groep alleen maar over speculeren.

    De privacy tour is nog een keer gestopt voordat het bij de LocHal zou terugkomen. Namelijk onder het spoor bij restaurant Raw. Hier werd opnieuw de NS besproken, maar niet de ov-chipkaart maar het openbare netwerk in de treinen. Het blijkt dat deze verbinding lang niet zo veilig is als dat gebruikers denken.

    Na terugkeer in het FutureLab in de LocHal werd een volgend project besproken van het FutureLab. Dit project staat in verbinding met het enorme grote scherm wat in de bibliotheek hangt. Het doel is om de mensen in Tilburg hun eigen sensor te laten maken en die in hun achtertuin te plaatsen. Om zo samen één grote dataset over onder andere de temperatuur en luchtvochtigheid in heel Tilburg te creëren die van de inwoners van Tilburg zal zijn.

    Iedereen verliet daarna vanzelf de bibliotheek met de kennis over wat er van hen wordt verzameld en hoe je dit eventueel beter kunt voorkomen. Ook is iedereen bewust van de mogelijkheden met al deze data. Dit kan angstaanjagend zijn, maar tegelijkertijd ook heel verhelderend en zeker voor het project waar het FutureLab nu mee bezig is.

  • Eindhoven Airport 2.0: "Vliegveld" van de toekomst

    February 01, 2019 1557 keer bekeken 0 comments

    Rens Mulder
    Data-analist/Adviseur bij Telos, Brabants Centrum voor Duurzame Ontwikkeling
    Raadslid Young Professionals Brabant, BrabantAdvies

    Wanneer het gaat over Eindhoven Airport, gaat het bijna automatisch en in dezelfde moeite over groei. In het jaarverslag van het vliegveld valt te lezen dat “een verdere groei van Eindhoven Airport nodig zal zijn, om de ambities van de regio waar te maken” (Eindhoven Airport, 2018). De vraag is echter of groei in het aantal vluchten wel het uitgangspunt moet zijn in een wereld waarin het twee voor twaalf is met het oog op klimaatverandering. Misschien moet het vliegveld wel helemaal van functie veranderen. Hoe ziet het vliegveld van de toekomst eruit?

    Eindhoven Aiport van nu

    Een volledig duurzaam vliegveld. Kan dat eigenlijk wel? Vliegen is bijna per definitie een niet duurzame manier van verplaatsen. Het vliegen zelf zorgt al voor een enorme uitstoot van CO2 en NOx per persoon. Tel daar nog eens bij op dat verreweg het grootste deel van de reizigers van Eindhoven Airport met de auto komt, of wordt gehaald en gebracht, en je komt op een flinke emissie per reiziger uit.

    Elektrisch vliegen lijkt hier de perfecte oplossing voor. Minder uitstoot en stille vliegtuigen die de overlast voor omwonenden beperkt. Het opwekken van duurzame energie met zonnepanelen langs de landingsbanen, om daar vervolgens je vloot weer mee op te laden. Het klinkt allemaal prachtig, maar het is helaas nog toekomstmuziek.

    Accu’s zijn op dit moment nog te zwaar om op een efficiënte manier passagiersvluchten te dragen, ter vergelijking: een kilo kerosine levert op dit moment nog vijftig keer zo veel energie op als een kilo accu (RTL Z, 2018). Easyjet is in samenwerking met startup Wright Electric op dit moment de enige grote luchtvaartmaatschappij die elektrisch vliegen als een serieuze optie ziet. Zij hebben het over een eerste hybride (dus niet eens volledig elektrische) lijndienst in 2027. Grote bedrijven als Airbus en Boeing zien het überhaupt niet als een serieuze mogelijkheid, zolang accu’s niet beter (minder zwaar) worden (RTL Z, 2018).

    Hoe moet een duurzaam vliegveld van de toekomst er dan uitzien? Misschien moet een vliegveld in de toekomst helemaal geen vliegveld meer zijn, maar meer een soort multimodale hub met de meest geavanceerde technische snufjes. Snelle autonome verbindingen met andere knooppunten zoals bedrijventerreinen, omliggende gemeenten en stations. De allerbeste virtual-reality (VR) vergader mogelijkheden die fysieke verplaatsingen kunnen vervangen. Een ‘experience center’ waar je virtuele stedentrips kunt doen over de hele wereld. Hyperloop verbindingen die aangesloten zijn op een Europees netwerk van snelle treinverbindingen. Een verbeelding die past bij de slimste regio ter wereld. Een proeftuin van wat Brainport aan high-tech en design te bieden heeft. Zo kan Eindhoven airport de boeken in gaan als het meest duurzame vliegveld ter wereld, zonder dat er ook maar één vliegtuig vertrekt.

    Verhogen van economisch concurrentievermogen en aantrekkingskracht door het aantal vluchten te beperken. Het klinkt gek, maar bedrijven zijn juist op zoek naar duurzame alternatieven voor vliegen. “We willen wel minder vliegen, maar we doen veel zaken in het buitenland, dus we kunnen niet zonder!” een veel gehoorde anekdote. Uit schuldgevoel wordt er steeds vaker CO2 gecompenseerd voor werknemers die voor meetings de hele wereld over vliegen. Prachtig natuurlijk, maar daar wordt het vliegen zelf niet minder vervuilend van. Bedrijven willen wel het aantal vlieguren verminderen, maar dit is lastig als je ook internationaal wil opereren.

    Een Eindhoven “Airport” 2.0 met snelle (trein)verbindingen naar grote Europese steden en een superrealistische VR-ervaring voor het (virtueel) bijwonen van meetings in minder bereikbare of verder weg gelegen gebieden kan hierbij oplossing bieden. Multinationals die graag duurzaam willen opereren zullen zich in Eindhoven willen vestigen, omdat ze dan CO2 neutraal als multinational over de hele wereld kunnen opereren. Drie vliegen in één klap: Minder CO2 uitstoot, minder (geluid)overlast voor de bewoners in de omgeving en een beter imago voor bedrijven in regio Eindhoven die hier gebruik van maken.

    Altijd maar blijven groeien in het aantal vluchten is niet het antwoord op alles. Er zijn andere manieren van groeien, die wellicht niet of minder ten koste gaan van omwonenden of het milieu. Eindhoven Airport zonder vluchten is misschien niet realistisch, maar het realiseren van groei zonder dat het aantal vluchten feitelijk toeneemt, is een belangrijk alternatief waar tot nu toe weinig aandacht aan geschonken werd. Tijd voor Eindhoven Airport om eens verder te kijken dan de eigen neus lang is. Tijd voor een duurzaam Eindhoven “Airport” 2.0, wat past bij de slimste regio ter wereld!

    Deze blog is geschreven naar aanleiding van de werkgroep ‘van buiten naar binnen’ van de Proefcasus Eindhoven Airport. De Young Professionals Brabant werden hierin op uitnodiging van Pieter van Geel, onafhankelijk verkenner Proefcasus Eindhoven Airport, en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gevraagd hoe een duurzaam innovatief Eindhoven Airport er in 2030 uit kan zien.

    Bronnen:
    Eindhoven Airport. (2018). Eindhoven Airport: Jaarverslag 2017.
    Proefcasus Eindhoven Airport (2019). Over de proefcasus.
    RTL Z (2018, 29 oktober). Easyjet werkt aan elektrisch vliegtuig voor Amsterdam-London.

  • Duurzaamheid en macht: over de lessen uit de coalitievorming in Laarbeek, Barendrecht en Ermelo

    May 29, 2018 1529 keer bekeken 0 comments

    Bastiaan Zoeteman

    In de negende week na de gemeenteraadsverkiezingen is in 267 (80%) van de 335 gemeenten waar 21 maart verkiezingen zijn gehouden een coalitieakkoord tot stand gekomen. Dat aantal is 10% minder dan negen weken na de vorige verkiezingen. De oorzaak ligt in het verder versnipperde politieke landschap, is het algemene gevoelen. Maar zo simpel is de werkelijkheid niet, zo constateerden journalisten van NRC (Lamyae Aharouay, Mirjam van Zuidam, Barbara Rijlaarsdam, Pim van den Dool en Clara van de Wiel) op 26 mei 2018. NRC doet een wekelijks telefonisch onderzoek met 100 medewerkers onder alle gemeenten waar de verkiezingen werden gehouden (Podcast NRC Haagse Zaken #33: Politieke sprookjes en gemeenteraadsels). Men wil de focus op de Randstad in de nieuwsgaring meer over het land verdelen en dit project is daaruit voortgekomen. Een leuk initiatief! In deze Podcast komt naar voren dat de democratische coalitievorming er nogal ruw aan kan toegaan. De grootste partij krijgt volgens ongeschreven regels het initiatief om coalitiebesprekingen te voeren, zou je denken. Maar NRC geeft drie voorbeelden waar de werkelijkheid er heel anders uitziet. In het Brabantse Laarbeek is de lokale partij Nieuw Laarbeek met 45% van de stemmen veruit de grootste, maar de andere vijf partijen kozen, evenals vorige keer, het initiatief en sloten een coalitie. Omdat dit vorige keer veel protest opleverde heeft men dit jaar de opnieuw grote winnaar ‘Nieuw Laarbeek’ bij de coalitie uitgenodigd en nu een Raadsbreed akkoord gesloten. Een mooie oplossing! In Barendrecht herhaalt zich dit jaar het eerdere Laarbeek drama. De grootse partij ‘Echt voor Barendrecht’ werd ondanks het behalen van 14 van de 29 zetels uit het College geweerd door een plotse coalitie van de overige 6 veel kleinere partijen… En in Ermelo gebeurde iets soortgelijks. De dominante CDA en CU Raadsfracties worden buiten de Collegevorming gehouden door een monsterverbond van alle overige partijen. We zien hier fraaie voorbeelden van democratisch machtsspel waarbij de buiten geslotenen zich verbitterd afvragen of nog wordt geluisterd naar de stem van het volk.

    Zijn deze schermutselingen een afspiegeling van de duurzaamheidsprestaties in deze gemeenten? We kunnen daarvoor een blik werpen op de Nationale monitor 2017 (p 21-31) en de Governance monitor van Telos.

    Tabel: Overzicht 3P duurzaamheidscores en de bestuurskrachtscores van drie gemeenten

    Gemeente

    Totale 3P duurzaamheid score [schaal 0-100 %]

    (rangorde)

    Totale duurzaamheid bestuurskracht score op basis 5 criteria

    [schaal 1-5]

    Criterium 1: Eigen organisatie (kantoren, vervoer, groen, etc.)

    Criterium 2: Samen-werking andere actoren (gemeenten, bedrijven, etc.)

    Criterium 3: Beleids-kaders (akkoord, nota’s)

    Criterium 4: Uitvoering (begroting, monitoring)

    Criterium 5: Faciliteren (financieel, communicatie etc.

    Barendrecht

    49.8 (237)

    3.5

    3.0

    3.25

    3.5

    4.0

    3.75

    Ermelo

    54.1 (63)

    4.0

    4.25

    4.25

    4.0

    3.5

    4.0

    Laarbeek

    52.0 (130)

    3.25

    2.75

    3.25

    3.25

    2.5

    3.75

     

    De scores in deze tabel laten zien dat de drie gemeenten gemiddeld tot bovengemiddeld op 3P duurzaamheid scoren. Wat de bestuurskracht betreft vertonen de drie gemeenten ook een gemiddeld beeld. Kijken we naar criterium 2 dat de mate van samenwerking met andere gemeenten en actoren als bedrijven en burgerinitiatieven omvat dan doen deze gemeenten het ook gemiddeld tot goed. Maar bij het moeten kiezen tot samenwerking met andere partijen is er even een moment waarin overlevings- en machtsinstincten het winnen van andere impulsen. Mogelijk kunnen de lessen die in Laarbeek zijn getrokken een baken vormen voor de gemeenten waar de coalitievorming nog niet is afgerond.

  • Omgaan met onzekerheden bij de energietransitie en het voorbeeld Goeree-Overflakkee

    May 02, 2018 2079 keer bekeken 0 comments

    Bastiaan Zoeteman

    Op verzoek van minister Eric Wiebes (VVD) is onder leiding van oud milieuminister Ed Nijpels (VVD) het Klimaatberaad met vijf ‘tafels’ bezig nieuw elan te brengen in de energie transitie in ons land. Maar wat gebeurt er intussen om ons heen? Zijn de voorwaarden om de energietransitie vorm te geven wel zo zeker als het lijkt en wat betekent dat voor het bestuur? Voorbeelden van mogelijke risico’s bij het aanpakken van de energietransitie zijn het aantasten van de geloofwaardigheid van het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015, de gevolgen van digitale onveiligheid en het risico dat de grote spelers in de wereld, -VS, China en Rusland- besluiten om hun heil te gaan zoeken in geo-enginering in plaats van het uitfaseren van het gebruik van fossiele brandstoffen. Bij geo-engineering worden stoffen in de hogere atmosfeer of in de oceanen gebracht die het aardesysteem zo beïnvloeden dat opwarming wordt afgeremd, maar met voorbijzien van allerlei nieuwe risico’s. Rond deze vragen organiseerde PRIMO (Public Risk Management Organisation) in samenwerking met o.a. BNG Bank op 20 april een denktank om zich te bezinnen hoe bestuurlijk om te gaan met internationale onzekerheden op dit gebied. Voor deze ‘From Global to Local’ denktank mocht ik een keynote speech geven waarin de uitkomsten van het Global Risks Report 2018 van het World Economic Forum tegen het licht werden gehouden. De denktank richtte zich op adviezen over wat op de agenda van de nieuwe Colleges zou moeten staan.

    Bastiaan Zoeteman tijdens de PRIMO denktank ‘From Global to Local’

    Dat de energietransitie een grote opgave voor alle betrokkenen is mag duidelijk zijn. Het grootste deel (70%) van de nationale opgave om CO2 neutraal te worden ligt bij de industrie en de elektriciteitscentrales. Maar ook de andere overheden naast het rijk moeten flink aan de bak waar het gaat om de woonomgeving, het verkeer en de landbouw. Gedeputeerde Jan Jacob van Dijk (CDA) van Gelderland noemt de energietransitie ‘de grootste verandering in ons land na de Tweede Wereldoorlog’. Ondanks de onzekerheden op internationaal vlak wordt van het lokale bestuur een duidelijke aanpak en vastberadenheid gevraagd. Daarbij staan gemeenten voor verschillende opgaven, zoals onder meer blijkt uit de in 2017 door Telos uitgebrachte Nationale monitor duurzame gemeenten 2017.

    De verhouding tussen de CO2 emissie (kg CO2 per inwoner) in rapportagejaar 2017 ten opzichte van 1990 (donkergroen: 30% afgenomen, donkerrood: 30% toegenomen) (Telos, 2017)

    De gemeenten waar de CO2 emissie het meest toenam de afgelopen kwart eeuw liggen vooral in het noordwestelijke deel van ons land en huisvesten vooral de industriegebieden. Voor deze gemeenten is het vaak minder eenvoudig hun emissie terug te brengen dan voor de anderen. Gemeenschappelijk is de uitdaging om bijvoorbeeld over te gaan tot aardgasvrije nieuwbouwwijken.

    Maar gemeenten moeten vaak in hun specifieke situatie tot eigen oplossingen komen. De verschillen komen naar voren bij het in kaart brengen van het tijdpad om klimaatneutraal te worden, zoals dit is geïnventariseerd in de Governance monitor duurzame gemeenten van 2016 van Telos.

    Klimaat doelstellingen van gemeenten (Governance monitor duurzame gemeenten, Telos 2017)

    Gemeente Goeree-Overflakkee biedt een interessant voorbeeld hoe van de opgave tot energietransitie een kans te maken.

    Het aanvankelijke verzet tegen de verplichting om 300 megawatt windenergie op te wekken werd omgezet tot nieuw elan door zelf het initiatief op te eisen en de locaties voor 225 megawatt windmolens te kiezen en de rest alternatief in te vullen met 70 megawatt aan zonnepanelen en een getijdecentrale in de Brouwersdam van 30 megawatt. In 2020 wil de gemeente al energieneutraal zijn. Deze gemeente laat zich niet weerhouden door internationale onzekerheden en laat zien dat het snel kan gaan.

  • De stemmen geteld, de kaarten gekleurd

    April 26, 2018 1871 keer bekeken 0 comments

    Josse de Voogd

    Werkt bij Telos aan een boek over de verkiezingsgeografie van Nederland. Voor de Provincie Brabant schreef hij deze analyse van de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Tijdens de verkiezingsavond was hij te gast bij de NOS.

    Na elke verkiezing kan er weer een nieuwe politieke kaart van Nederland ingekleurd worden. Een kaart waarop veel bekende patronen intact blijven; in Urk wint weer een christelijke partij. Maar waarop ook verrassende uitslagen zijn te zien; zoals Groep de Mos die aan kop gaat in Den Haag en GroenLinks dat wint in Helmond.

    Net als in 2014 domineren lokale partijen het grootste deel van Nederland. Vooral bezuiden een lijn die vanuit Zeeuws-Vlaanderen door het Rivierengebied naar de Achterhoek loopt zien we veel gemeenten waar het aandeel stemmen op lokale partijen hoog ligt. Het is precies het gebied waar in het verleden de Katholieke Volkspartij domineerde. Het is een culturele scheidslijn die teruggaat tot de Tachtigjarige Oorlog. In het zuiden ontwikkelde zich een andere politieke cultuur waarin het persoonlijke een grotere rol speelde ten opzichte van ideologie. De extra steun voor lokale partijen is een restant van deze traditie.

    Figuur 1. Aandeel lokale partijen per gemeente

    De verkiezingen lieten een verdere versnippering zien van het electoraat. In veel gemeenten traden nieuwe partijen toe, zoals DENK en PVV. In de gemeente ’s-Hertogenbosch zijn nu 14 partijen vertegenwoordigd in de raad en stemde slechts 12,5% van de opgekomen kiezers op de grootste partij. In het geval van Brabant valt op dat het aantal partijen per gemeente gemiddeld is toegenomen. Tegelijk is het aantal partijen dat minimaal nodig is voor een meerderheidscoalitie vaak afgenomen. De versplintering zit dus vooral aan de ‘onderkant’: er komen meer kleine partijen bij, maar dat gaat vaak niet ten koste van de grootste partijen.

    En zo worden nu het stof is neergedaald de patronen duidelijker en blijken sommige conclusies achteraf wat voorbarig. Op de verkiezingsavond was GroenLinks de grote winnaar en de SP de grote verliezer. Maar De SP boekte in 2014 een zeer goede uitslag, deed in een beperkt aantal gemeenten mee, heeft veel last van concurrentie met lokale partijen en moet het hebben van groepen kiezers die slecht opkomen bij zogenoemde tweederangs verkiezingen. GroenLinks daarentegen kwam van een lage score, deed juist in die gemeenten mee waar ze sterk is, heeft weinig last van lokale partijen en is sterk onder hogeropgeleiden die goed opkomen. Ook profiteert de partij van de nivellering van het partijlandschap. Met scores die in het verleden ook al eens werden behaald is het nu makkelijker om de grootste partij te worden.  Rekening houdend met al deze factoren komt de uitslag overeen met de huidige score in de Tweede Kamer en in de peilingen, waar SP en GroenLinks elkaar niet veel ontlopen. Bij een nadere analyse valt ook op hoe er naast 50PLUS veel lokale ouderenpartijen zijn. En hoe verschillende lokale partijen vaak sterk leunen op bepaalde dorpen binnen een gemeente. De verkiezingskaart is een bont geheel.

    De uitslag voor een partij als GroenLinks laat zien dat typologieën van gemeenten relevanter zijn dan de mate van stedelijkheid. De partij wordt nogal eens gezien als partij van de steden. Maar de scores in Rotterdam en Den Haag blijven achter. Tegelijk is de partij wel groot in gemeenten als Zeist, Culemborg, Renkum en Zutphen. Het zijn specifieke randgemeenten van GroenLinks gezinde steden en plaatsen die bekend staan om hun Vrijescholen en ecowijken. Uniek is de winst in Helmond, een voorbeeld waaruit blijkt dat lokale thema’s en lokale gezichten bij raadsverkiezingen het verschil kunnen maken.

    Tegelijk met de raadsverkiezingen werd het referendum over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gehouden. De tegenstem won nipt van de voorstem. Op de kaart valt op dat vooral de steden en het noorden tegen hebben gestemd. In een aantal gemeenten vonden geen raadsverkiezingen plaats en daar zien we dat de opkomst voor het referendum een stuk lager is. In sommige van die gemeenten lijkt de balans net ietsje verder door te slaan naar tegen dan in buurgemeenten met een vergelijkbaar politiek profiel. Opvallend is dat de uitslagenkaart er volkomen anders uit ziet dan die van de referenda in 2005 over de Europese grondwet en in 2016 over het verdrag met Oekraïne. Het zijn duidelijk niet dezelfde gebieden en niet dezelfde kiezersgroepen die massaal tegenstemmen. Scheidslijnen lopen weer anders door de partijen en door de regio’s heen. De inhoud doet er toe.

  • Krimp in o.a. Delfzijl, Den Helder, Sluis en Vaals is ‘geen probleem’

    April 16, 2018 3171 keer bekeken 0 comments

    Bastiaan Zoeteman

    Wie regelmatig in Amsterdam verblijft, kent de nadelen van dicht op elkaar gepakt zitten in een groeigemeente: torenhoge huizenprijzen, kogels die over straat vliegen, ternauwernood ontsnappen aan asociaal voortbewegende  fietsen en scooters, blootstaan aan vliegtuiglawaai en ratelende koffertjes van Airbnb-toeristen, en een overal opduikende misselijk makende  wietwalm. Dan is de stap groot naar het fenomeen van de krimpgemeenten waar NRC  de afgelopen weken een onderzoek naar deed. In een samenvattend Commentaar  (NRC Weekend 8 en 9 april 2018, Opinie & Debat) stelt men: ‘krimpgebieden zijn een gegeven en geen probleem’. Geen probleem omdat de overheid krimpgebieden niet met stimulerende economische maatregelen zou moeten aanpakken om ze te laten groeien maar de bevolkingsafname gewoon zou moeten accepteren en begeleiden.

    In de laatste Nationale monitor duurzame gemeenten 2017 is de krimpgemeente als een apart type onderscheiden en onderzocht. De 54 krimpgemeenten (bevolking nam meer dan 2% af in de periode 2007-2017) liggen vooral in de hoekpunten en het oosten van ons land.

    Telos, Nationale monitor duurzame gemeenten, 2017

    In de monitor wordt ook dieper ingegaan op de kenmerken van de krimpgemeenten. De afname van de bevolking geeft een lagere duurzaamheidscore die vooral voor rekening komt van fors lagere economische en sociaal-culturele prestaties dan gemiddeld. Maar er zijn ook positieve kenmerken. Het milieu is er schoner. Hier is nog ruimte. Veel krimpgemeenten zijn toeristische trekpleisters, zoals De Marne, Den Helder, Sluis en Vaals. 

    Kade te Sluis, Foto: Jean-Pol Grandmont

    Borg Verhildersum, te De Marne, foto: Hardscarf

    NRC betwijfelt of investeren in de krimpregio’s vanuit een verdelende rechtvaardigheid door vadertje staat zin heeft, gezien het gefaalde vroegere spreidingsbeleid van het Rijk. Toch kan het Rijk wel degelijk nuttige dingen doen. Burgemeesters zouden graag middelen hebben om oude panden in verpauperde wijken te slopen. Ook kan de recreatiefunctie, waar die exploitabel is, worden ondersteund. Hier zou het rijk een ruimhartige financiële hand moeten reiken om deze krimpgemeenten aan de grenzen het gevoel te geven ook bij ons koninkrijk te horen door de  leefomgevingskwaliteit op een nationaal minimum peil te helpen houden . Per saldo kan dit gezien het beperkte aantal inwoners niet om grote kosten gaan. Zo kunnen juist de grensregio’s die het in economisch slechte tijden extra moesten bezuren een steun in de rug krijgen waardoor ze ook aantrekkelijker worden voor buitenlandse toeristen. Uit het oog van het Haagse Binnenhof hoeft immers niet te betekenen uit het hart.  En voor de geplaagde Amsterdammers zijn de hoeken van ons land niet ver en een zegen van natuur en rust.   

     

  • Stemmen: voor de raad en op de kaart

    March 21, 2018 1697 keer bekeken 0 comments

    Josse de Voogd

    werkt bij Telos aan een boek over de verkiezingsgeografie van Nederland. Vanavond speelt hij een rol tijdens de uitslagenavond van de NOS.

     

    Vandaag mag Nederland naar de stembus. In 333 gemeenten wordt een nieuwe raad gekozen, en in alle gemeenten, ook in de 55 die niet meedoen vanwege een herindeling, kan men een stem uitbrengen voor het referendum over de sleepwet. De uitslagenkaarten die in de nacht na de verkiezingen verschijnen geven altijd weer een waardevolle blik op de stand van het land. Want verkiezingen kun je zien als de grootste enquête van Nederland.

     

    Hoewel een stem een individueel afgewogen keuze is die per verkiezing kan verschillen, zien we, als we al deze stemmen bij elkaar optellen, toch veel continuïteit. Bestandslijnen uit oude oorlogen, een andere ontwikkelingsgeschiedenis van zand of veengrond, industrialisatie naar katholiek model: we zien het allemaal nog op de kaart. De huidige verkiezingsgeografie kun je dan ook zien als het resultaat van verschillende lagen die in de loop der tijd zijn afgezet, als sedimenten in een rivierdelta.

     

    Figuur 1. Grootste partij bij gemeenteraadsverkiezingen 2014

     

    Zo is er sprake van een onderste laag waarin staatsvorming en religie van belang zijn. Het zuiden bleef katholiek na de Tachtigjarige oorlog en ontwikkelde een andere politieke cultuur. Een cultuur waarin personen er meer toe doen en ideologieën minder. Tot de dag van vandaag zien we dit bijvoorbeeld terug in het grotere aantal lokale partijen in het zuiden. Een volgende laag wordt gevormd door sociaal-economische tegenstellingen. Industrieën kwamen op en verdwenen soms weer. In de steden kwam veel sociale woningbouw, terwijl welvarende inwoners vaak naar buurgemeenten vertrokken. Meer recent zien we dat opleidingsniveau een belangrijke scheidslijn is geworden. Hoger opgeleiden en lager opgeleiden verschillen sterk van elkaar als het gaat om thema’s als migratie, globalisering en Europese eenwording. Daarmee samenhangend zijn ook leefstijl en identiteit thema’s geworden waarop partijen van elkaar verschillen.

     

    Tegelijk veranderen ook de ruimtelijke verschillen van karakter. Terwijl de steden (weer) in de lift zitten vindt in andere gebieden juist bevolkingskrimp plaats. Dit lijkt samen te gaan met een meer kosmopolitische oriëntatie in die steden tegenover een meer op de natiestaat gericht perspectief in de periferie. Het is een tegenstelling die dwars door oude links-rechts patronen heenloopt en die in steeds meer landen bij verkiezingen naar voren komt.

  • Een gezonde leefomgeving in een verdichtende binnenstad? Eindhoven gaat de uitdaging aan

    March 16, 2018 1306 keer bekeken 0 comments

    Rens Mulder

    Het gaat goed met de stad. In heel Europa is de trend zichtbaar dat mensen meer en meer in de stad willen wonen. Vooral jongeren en jonge, hoogopgeleide gezinnen zijn niet weg te slaan uit de steden. In Nederland is deze trend maar al te goed zichtbaar en voelbaar. Steden als Amsterdam en Utrecht barsten uit hun voegen. Er is geen huis meer te krijgen, en de huizenprijzen reizen de pan uit. Dit is ook in de politiek niet onopgemerkt gebleven. De woningmarkt is uitgegroeid tot het verkiezingsthema van 2018: er wordt te weinig gebouwd.


    Figuur 1. Woningschaarste in Nederland

    Veel steden zoals Eindhoven en Rotterdam kiezen ervoor om meer te verstedelijken in de binnenstad, in plaats van verder uit te dijen aan de gemeentegrenzen. Zo krijgen de steden een meer stedelijk karakter, en blijven de groene gebieden aan de rand van de stad die als recreatiegebieden gebruikt kunnen worden in takt. Dit klinkt natuurlijk prachtig, maar deze ontwikkeling heeft ook een keerzijde. Steden staan namelijk voor een belangrijke transitieopgave: het ontwikkelen van een gezonde, verantwoorde en inclusieve leefomgeving. De vraag is of-, en hoe dit gerijmd kan worden met een sterk verdichtende binnenstad. Meer mensen betekent doorgaans immers meer overlast, meer verkeer en meer luchtvervuiling.

    De gemeente Eindhoven wil deze uitdaging oppakken. Deze week presenteerde zij het uitvoeringsprogramma ‘Binnen de ring’, met daarin de plannen om de verdichtingsopgave hand in hand te laten gaan met het ontwikkelen van een gezonde leefomgeving in de binnenstad. Hierin staan twee thema’s centraal. De omgeving zodanig inrichten dat enerzijds een gezonde leefstijl wordt bevorderd, terwijl anderzijds gezondheidsproblemen worden voorkomen. In concretere termen betekent dit dat iedere ontwikkeling in de binnenstad een bijdrage moet leveren aan het verbeteren van de luchtkwaliteit of een gezonde levensstijl. Dit kan bijvoorbeeld door meer groen en water aan te bieden binnen de stedelijke context, of door de openbare ruimte aantrekkelijker te maken voor lopen en fietsen. Daarbij is het belangrijk dat er sterke partnerschappen worden aangegaan tussen onder andere gemeenten, kennisinstellingen, (bouw)bedrijven en GGD’en. 


    Figuur 2. Visualisatie uit het project ‘Beleef Vestdijk’ van de gemeente Eindhoven

    Dit uitvoeringsprogramma raakt de thema’s waar Telos aan gewerkt heeft in het kader van de Brabantse Health Deal. Binnen de Brabantse Health Deal hebben wij samen met het RIVM, de waterschappen, de provincie, de Brabantse steden en de GGD’en een toolbox ontwikkeld voor een gezonde leefomgeving. Hierin hebben we onder andere geconcludeerd dat gezondheidsbescherming en –bevordering al moeten worden meegenomen in ruimtelijke planvorming. Daarnaast is het belangrijk om van elkaar te kunnen leren in het stimuleren van gezonde gebiedsontwikkeling. Samenwerking tussen verschillende partijen is daarbij de sleutel tot succes.

    Eindhoven is de uitdaging aangegaan om de gezonde leefomgeving als voorwaarde te stellen voor het verder ontwikkelen en verdichten van de binnenstad. Hopelijk zal dat als inspiratie dienen voor veel meer Nederlandse en Europese steden die eenzelfde transitie doorgaan. Daarom wil ik afsluiten met een (inmiddels) bekende Eindhovense kreet: 
     

     

Cookie settings